Wat is een erfelijke aandoening?

Erfelijke aandoeningen komen bij alle diersoorten voor. Een ‘erfelijke aandoening’ is een ziekte of aandoening die van generatie op generatie kan worden doorgegeven door een afwijking in de genen. Onder normale omstandigheden heeft slechts een klein deel van de nakomelingen een erfelijk aandoening. Dit wordt anders als mensen dieren gaan fokken en selecteren op (uiterlijke) kenmerken.
Selectie op uiterlijke kenmerken
Rashonden worden vooral gefokt op vorm en kleur. Kampioenen moeten vooral ‘mooi’ zijn. En dus is er weinig aandacht voor de gezondheid en het welzijn van de dieren. Dit heeft ertoe geleid dat de meeste hondenrassen veel erfelijke aandoeningen hebben. Uit grootschalig Nederlands onderzoek blijkt dat ruim veertig procent van de rashonden een erfelijke aandoening heeft.[1] Dus, vier van de tien honden! Het is niet uit te sluiten dat dit percentage, met een nog nauwkeuriger diagnose en recenter onderzoek, op vijf van de tien honden komt.
Inteelt
De dieren die het meest voldoen aan het schoonheidsideaal van een bepaald ras worden onderling gepaard. Hierdoor raken de dieren steeds nauwer verwant. Als honden uit één bepaald nest veel prijzen winnen, wordt er met die honden verder gefokt, vaak zelfs met nauw verwante familieleden zoals neef en nicht of grootvader en kleinkind. De kans op erfelijke gebreken neemt men op de koop toe. Inteelt zorgt er dan voor dat dieren met erfelijke defecten deze aan hun kinderen doorgeven.[2]
Het percentage rashonden met erfelijke aandoeningen is dramatisch toegenomen. Minder zichtbaar voor de leek, is dat de vitaliteit is afgenomen. De honden hebben minder weerstand, minder levenslust, zijn minder vrolijk of enthousiast. Ze worden vaker en ernstiger ziek, ze leven korter, hun vruchtbaarheid neemt af en ze zijn vaker angstig of nerveus.[3]
Vaak is niet te zien of een jonge hond drager is van een erfelijke aandoening. Dat kan komen doordat de aandoening zich pas op latere leeftijd ontwikkelt. Het kan ook komen doordat de erfelijke aandoening ‘recessief’ is. Bij een dergelijke hond komt de erfelijke aandoening niet tot uiting, wanneer deze hond echter gaat paren met een hond die ook deze erfelijke aandoening bij zich draagt (en die kans is groot bij rashonden) komt de verborgen aandoening tot uiting bij de nakomelingen.

